Nu gaat het geleidelijk moeilijker worden en is het lastiger om van een periodestijl te spreken. Ik heb
te weinig aanknopingspunten om deze 2e helft onder te verdelen in kwart eeuwen. Daarom zal ik vooralsnog de snijramen
onderbrengen onder de 2e helft van de 19e eeuw, maar ik zal in de toekomst hopelijk in staat zijn om daarin
de vroegere typen te onderscheiden van de latere.
Door industrialisatie wordt meer en meer aan massaproduktie gedaan. We zien ook meer van dezelfde typen
(gietijzeren) bovenlichten ontstaan. Dat er toch nog zo'n verscheidenheid te bespeuren is, moet worden
toegeschreven aan het feit dat er al weer veel van verloren is gegaan.
Wat wel zeker is, is dat vanaf ca 1850 de gietijzeren snijramen, waaronder de populaire levensbomen
in de mode komen, maar ook zien we nu de rechthoek meer en meer verschijnen. Naast hout
en smeedijzer komt dus nu ook gietijzer als materiaal voor de roeden erbij.
Dit gietijzer nodigt toch weer uit tot barokke krullen in kruin en wortels.
De levensboom, cirkel (krans of zon), de rechte ruit
en de odal, vormgegeven door middel van rechte of gebogen, onbewerkte roeden zijn de belangrijkste motieven.
Als er al sprake is van wat drukkere versiering, komt dit doorgaans dankzij het gietijzer, want het
lijkt erop dat schrijnwerkers (de houtbewerkingskunstenaars) na 1850 nog nauwelijks voor bovenlicht-versiering worden gevraagd.
We komen in een tijd dat in de bouwkunst er opnieuw een voorkeur komt om gotische motieven
in de gevel te verwerken. Maar of dit ook in bovenlichten opduikt, is nog maar de vraag. Verderop in de eeuw zien
we neo-barok en neo-renaissance-stijlen opduiken.
De bovenlichten gaan meer en meer een eigen leven leiden, los van de bouwstijl. Immers,
er is al een halve eeuw voorbijgegaan, waarin nieuwe snijramen volgens een nieuwe mode werden aangebracht in oudere panden,
bij gebrek aan (geld voor) nieuwbouw.